Home
dichters
jaarlijsten
bronnen
COLOFON

Behorend tot: jaaroverzicht 1963                                                      versie: 03-11-2015

Titel:
Vijf en twintig gedichten
met vragen ter voorbereiding
op het mulo examen
Samengesteld door:
F.H. van de Laar, hoofd ener
school voor ulo te Eindhoven
Uitgeverij:
J. Muusses nv, Purmerend
Jaar van verschijning: 1963
Omvang: 56 p.
ISBN: -
Bijzonderheden:
Titel op omslag: 25 gedichten.

(Voorwoord onder deze pagina.)

Google over dit boek

Bevat poëzie van:

H.P. van den Aardweg
Willem ten Berge
Liane Bruylants
August Cuppens
Anthonie Donker
Anton van Duinkerken
Clara Eggink
Willem Elsschot
Ida G.M. Gerhardt

Jan Greshoff
Han G. Hoekstra
Ed. Hoornik
K.H.R. Josselin de Jong
Aart van der Leeuw
Loe Maas
H. Marsman
Willem de Mérode
Martinus Nijhoff
Jan van Nijlen
Jan Prins
J. Slauerhoff
M. Vasalis
Bert Voeten
Hans Warren
Aldert Witte
 
 

Namen als in boek.

 

 

VOORWOORD

Dit werkje kan o.a. dienst doen bij de voorbereiding van a.s. mulo-kandidaten voor het onderdeel poëzie op het mulo-examen.

Uit het program en de aanwijzingen voor het examineren van examen mulo (uitgave 1963):

Bekendheid met enige voortbrengselen van enkele onzer voornaamste dichters en prozaschrijvers. Het reciteren van een of meerdere gedichten. Het beantwoorden van vragen gesteld over en naar aanleiding van een stuk proza of poëzie; deze vragen kunnen, indien voor tekstverklaring nodig, ook van spraakkunstige aard zijn.
Van de gedichten, die de kandidaat heeft meegebracht, zegt hij er een naar eigen keuze op. Door het stellen van enige vragen onderzoekt de examinator, of het gedicht voldoende begrepen is. Het gaat ook hier weer niet om de betekenis van enkele woordjes, maar om de zin van het geheel. In geen geval mag het gedicht de grondslag vormen voor het vragen van allerlei woorden en synoniemen.
Goed reciteren is hoofdzaak. Wanneer het gedicht uitstekend is gereciteerd, zou het vragen naar de inhoud zelfs geheel achterwege kunnen blijven.

In de loop van het examen worden enkele vragen gesteld over enige onderwerpen uit de volgende groepen, ter keuze van de examinator:

Beeldspraak: vergelijking, personificatie, metafoor, allegorie
Dichtsoorten: episch, lyrisch, dramatisch, het sonnet
Stijlverschijnselen: ironie, sarcasme, hyperbool, eufemisme, climax, oratorische vraag, alliteratie.
(Naar rijm- en maatsoorten wordt niet gevraagd)

Uit het program en de interpretatie van Nederlands van de stichting r.k. mulo-examen.

Het lezen en verklaren van een gedicht:
Zoals bij het proza wordt de kandidaat een tekst voorgelegd uit een door de R.C. samengesteld examanboekje.
Het gedicht moet eenvoudig zijn en niet te lang, en mag, wat woordkeuze e.d. betreft, niet te zeer afwijken van het hedendaagse Nederlands.
Ook hier dient de kandidaat de tekst geheel of gedeeltelijk (naar keuze van de examinator) hardop te lezen.
Er kan gevraagd worden naar:
- de dichtsoort: episch, lyrisch, didactisch, dramatisch;
- de inhoud, zowel de logische als de gevoelsinhoud;
- de aard van het gedicht: sonnet, ballade, hekeldicht;
- enige hoofdzaken uit de versleer: het herkennen in hun functie van assonantie
  en alliteratie; vormen en functies van het eindrijm mogen niet ter sprake wor-
  den gebracht.
  Of de kandidaat gevoel heeft voor ritme is bij zijn lezen gebleken. Eveneens is
  uit het lezen gebleken of hij enjambementen en elisies heeft opgemerkt;
  eenvoudige beeldspraak: vergelijking, metafoor, personificatie, hyperbool en
  metonymia moeten herkend worden.
Alleen inzoverre deze elementen in het gedicht voorkomen, mogen zij ter sprake worden gebracht. De kandidaat moet dan zowel de termen als hun betekenis kennen.
Er mag niet worden gevraagd naar biografische en literair-historische bijzonderheden.

Natuurlijk voelt zich geen leraar gebonden aan deze programma's: hij zal de stof in zijn lessen uitbreiden, als hij dit wenselijk vindt en in deze geest heb ik ook gehandeld bij het stellen van de vragen.

De gekozen gedichten staan in een willekeurige volgorde zonder dat er gelet is op de tijd, waarin ze geschreven zijn, noch op de dichtsoort of op de graad van moeilijkheid. De docent zal de volgorde van behandeling zelf kunnen en willen bepalen en weg kunnen laten wat hem eventueel minder geschikt voorkomt.

Men zou bij de behandeling van deze gedichten als volgt te werk kunnen gaan:
1 Men laat een gedicht aan de hand van de vragen als huiswerk voor-bereiden. De zelfwerkzaamheid komt hierdoor tot zijn recht en bij de bespre-king in de les staat de leerling niet onbekd tegenover het gedicht, zodat de les vlotter kan verlopen en vruchtbaar kan zijn. Om de leerling te helpen bij het moeilijke werk het gedicht te begrijpen en aan te voelen hebben de vragen vaak eerder een lerend dan een controlerend karakter.
2 Bij de behandeling in de les laat men de leerling eerst vragen wat hij niet begrepen heeft en vertellen wat hij heeft op te merken. Verder kan men bij de behandeling van het gedicht de vragen zoveel mogelijk laten rusten: de docent zal het terecht liever en beter op zijn eigen persoonlijke manier doen.
3 Het gedicht wordt door de docent hardop gelezen.
4 De grondgedachte wordt gezocht.
5 De compositie wordt opgespoord.
6 De details worden besproken.
7 De leerlingen lezen het gedicht. Enig gedichten, naar keuze van de leerling, worden van buiten geleerd.

Eindhoven, 1963. F.H. van de Laar.

 

terug naar boven

 

 Bloemlezing onderzocht door: Jurgen Eissink, 2013.


 
Deze pagina is mede mogelijk gemaakt door:

Vrienden van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie

partners



© De Nederlandse Poëzie Encyclopedie, 2013

Webdesign Revan Barlas